Deze pagina beschrijft het cijfer, de bron en de methode van de (kern)indicator: het gemiddeld aantal uren dat Nederlanders van 4 jaar en ouder zitten op een gemiddelde dag in de week.

>Cijfers van de indicator

>Bronbeschrijving van de indicator

>Methodebeschrijving van de indicator

Samenvatting

Definitie: het gemiddeld aantal uren dat Nederlanders van 4 jaar en ouder zitten op een gemiddelde dag in de week.

De kernindicator zitgedrag geeft het gemiddeld aantal uren zittende en (half)liggende activiteiten weer, waarbij weinig energie wordt verbruikt (≤1,5 MET) met uitzondering van slapen. Voorbeelden zijn tv-kijken, lezen, naaien, op de computer werken, zittend gamen of zitten tijdens transport.

Bron: Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen van de Leefstijlmonitor (LSM-A Bewegen en Ongevallen) ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)).

Meetfrequentie: tweejaarlijks gemeten sinds 2015.

Cijfers van de indicator

Cijfers zijn beschikbaar op de webpagina's van de Kernindicator Zitgedrag en Verdieping Bewegen: Zitgedrag.

Uitsplitsing mogelijkheden geografisch: nationaal.

Uitsplitsing mogelijkheden achtergrondkenmerken: doordeweeks of in het weekend, geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, huishoudinkomen, migratieachtergrond, herkomst, burgerlijke staat, huishoudsamenstelling, maatschappelijke arbeidspositie, mate van verstedelijking, ervaren gezondheid, langdurige aandoeningen, lichamelijke beperkingen, type beperking, overgewicht.

Bronbeschrijving van de indicator

Bron en bronhouder

De bron van deze indicator is de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen van de Leefstijlmonitor (LSM-A Bewegen en Ongevallen). De bronhouders van de LSM-A Bewegen en Ongevallen zijn het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) en VeiligheidNL en de opdrachtgever is VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).

Onderzoeksgroep

De doelpopulatie van LSM-A bestaat uit alle in Nederland woonachtige personen (0+) die deel uitmaken van een particulier huishouden. Dit wordt geoperationaliseerd als al die personen die zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en die niet behoren tot de institutionele bevolking (i.e. personen in inrichtingen, instellingen, of tehuizen). Voor kinderen onder de 12 jaar vullen de ouders de enquête in.

Van de uitgezette steekproef respondeert tussen de 43 en 59%. Het aantal respondenten per onderzoeksjaar bedraagt ongeveer 10.000. 

Modus van uitvraag

De vragenlijst wordt tweejaarlijks uitgezet. Eerdere meetjaren zijn 2015, 2017, 2019 en 2021. De periode van dataverzameling is het hele jaar door (januari tot december).

De eerste benadering is deelname via internet (CAWI), een deel van de non-respondenten worden herbenaderd voor een telefonisch interview (CATI) of interview aan huis (CAPI).

Historische informatie bron

Niet alle mensen die de vragenlijst niet via internet (CAWI) invullen, worden opnieuw benaderd voor een telefonisch (CATI) of persoonlijk (CAPI) interview. Dit verschilt tussen de jaren.

Bij de LSM-A 2015 is 75 % van de mensen die niet via internet (CAWI) respondeerden (een random selectie) benaderd voor een telefonisch (CATI) of persoonlijk (CAPI) interview.  Bij de LSM-A 2017 is 40 % van de mensen met Nederlandse of westerse herkomst die niet via internet (CAWI) respondeerden benaderd voor een telefonisch (CATI) of persoonlijk (CAPI) interview. Mensen met een niet-westerse herkomst werden allemaal benaderd voor een telefonisch (CATI) of persoonlijk (CAPI) interview.

Bij de LSM-A 2019 is de doelgroepgerichte herbenadering toegepast. Groepen o.b.v leeftijd, herkomst en inkomen die slecht respondeerden via internet werden meer benaderd voor een telefonisch (CATI) of persoonlijk (CAPI) interview dan groepen die beter respondeerden. 60 % van de herbenaderbare cawi-non-respons werd selectief uitgedund en niet herbenaderd. Bij de LSM-A 2021 is ook de doelgroepgerichte herbenadering toegepast. 57 % van de herbenaderbare CAWI-non-respons werd selectief uitgedund en niet herbenaderd.

Vanaf 2023 wordt er geen incentive (5 euro vooraf) meer gehanteerd om deel te nemen aan het onderzoek, maar maken respondenten kans op een iPad of 400 euro.

In 2021 kon de beoogde waarneemmethode niet geheel worden uitgevoerd. Als gevolg van de coronaepidemie en de bijbehorende maatregelen werd de face-to-face-waarneming verstoord. Deze vorm van waarneming was in een aantal maanden niet mogelijk en in enkele andere maanden slechts beperkt mogelijk.

Methodebeschrijving van de indicator

Deelnemers

De omvang van de groep die de vragenlijst invult is ongeveer 10.000 respondenten per onderzoeksjaar.

De streekproef is representatief: de steekproef is willekeurig en er wordt een weegfactor van CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) gebruikt op basis van verschillende achtergrondkenmerken om tot een representatief cijfer te komen voor de Nederlandse bevolking.

Vraagstelling

Vraagstelling: "Denk aan een normale week in de afgelopen maanden. Hoeveel tijd bracht u/uw kind zittend door in de volgende situaties op een normale doordeweekse dag en op een normale weekenddag?"

  • Zitten tijdens vervoer
  • Zitten tijdens werk
  • Zitten tijdens school of studie
  • Zitten tijdens TV kijken
  • Zitten tijdens computer
  • Andere zitactiviteiten

Antwoordmogelijkheden: de respondent kan zelf per activiteit aangeven hoeveel uren en minuten per dag hij of zij aan deze zitactiviteit besteedt. 
De vragenlijst is gebaseerd op de zogeheten Marshall-vragenlijst. Deze is gevalideerd.

Analyse beschrijving

De tijd besteed aan zitten op doordeweekse dagen wordt vermenigvuldigd met 5 (dit staat voor 5 werkdagen) en de weekenddagen met 2 (dit staat voor 2 weekenddagen). Het totaal wordt gedeeld door 7 om tot de tijd besteed aan zitten op een gemiddelde dag te komen. Dit gebeurt voor respondenten die minstens 1 van de 4 vragen per zitactiviteit (week, weekend, uren, minuten) hebben ingevuld, extreme waarden worden niet meegenomen. Hierbij worden ook de respondenten met 0 minuten per dag voor een zitactiviteit meegenomen.

Eerder gemeten

De indicator is tweejaarlijks gemeten sinds 2015.

Historische informatie methode

De vraagstelling en wijze van berekening is ongewijzigd sinds meetjaar 2015.

Contactinformatie

Bron:  M. Hiemstra ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)), leefstijlmonitor@rivm.nl

Methode: T. Schurink (RIVM), sportenbewegenincijfers@rivm.nl

Rapport: beschikbaarheid cijfers en databronnen

Hoe de methode- en bron beschrijvingen tot stand zijn gekomen staat beschreven in het rapport "Data-infrastructuur Sport en Bewegen: beschikbaarheid van cijfers en preferente databron voor 164 indicatoren".  In het rapport wordt per thema een overzichtstabel van indicatoren weergegeven met daarbij de beschikbare databron. Er wordt per thema een conclusie getrokken of de beschikbare data-infrastructuur binnen een thema beperkt, redelijk of goed is. Als laatste worden er aanbevelingen gedaan voor de ontwikkeling van de data-infrastructuur Sport en Bewegen in de toekomst.