Cijfers over de kernindicatoren sport en bewegen en de indicatoren om de voortgang van het nationaal sportakkoord te monitoren worden op een gestandaardiseerde manier berekend.  De toegepaste  berekeningsmethoden staan op deze pagina per (kern)indicator in alfabetische volgorde beschreven.

>Beweegrichtlijnen
>Beweeggedrag kinderen 0 tot 4 jaar
>Beweegvriendelijk omgeving
>Sportdeelname wekelijks
>Tevredenheid sport- en beweegaanbod
>Thuis voelen bij sportaanbieder
>Trainer heeft persoonlijke aandacht voor welbevinden kind
>Veilig Sportklimaat - wangedrag
>Zitgedrag

 

(Kern)Indicator: Beweegrichtlijnen

Methode: De kernindicator beweegrichtlijnen is nagevraagd met de SQUASH* vragenlijst in de gezondheidsenquête. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden de gemiddelde tijd te schatten die wordt besteed aan de volgende activiteiten:

  • Actief woon-werkverkeer naar werk of school;
  • Activiteiten op werk of school;
  • Activiteiten in het huishouden;
  • Activiteiten in de vrije tijd zoals wandelen, fietsen, tuinieren, klussen en sport (4 t/m 11 jarigen: zwemles en buitenspelen).

Vanaf 2001 is de enquête afgenomen bij mensen vanaf 12 jaar. Sinds 2016 zijn 4 t/m 11 jarigen ook meegenomen in de enquête. De vragenlijst is onderdeel van de Gezondheidsenquête, een enquête binnen de LeefstijlmonitorVanaf 2019 zijn vragen over beweegonderwijs op school aan de vragenlijst toegevoegd om een beter beeld te krijgen van het beweeggedrag van jongeren. Dit wil zeggen dat aan jongeren vanaf 12 jaar die basisonderwijs, praktijkonderwijs, VMBO, HAVO, VWO of MBO volgen, vragen zijn toegevoegd over gymlessen op school en beweeg- en sportactiviteiten die zijn geregeld vanuit school. Hierdoor zijn de cijfers over de beweegrichtlijnen, met name die over jongeren, vanaf 2019 minder goed vergelijkbaar met de cijfers van voor 2019.

*SQUASH: Short QUestionnaire to ASses Health enhancing physical activity. Wendel-Vos, G. W., Schuit, A. J., Saris, W. H., & Kromhout, D. (2003). Reproducibility and relative validity of the short questionnaire to assess health-enhancing physical activity. Journal of clinical epidemiology, 56(12), 1163-1169.

Meer informatie over de berekening van de kernindicator beweegrichtlijnen is terug te lezen in onderstaand rapport.

Rapport Beweegrichtlijnen en Sportdeelname Wekelijks: van vragenlijst tot cijfer

Indicator: Beweeggedrag kinderen 0 tot 4 jaar

Methode: De indicator op beweeggedrag kinderen 0 tot 4 jaar bestaat uit verschillende beweegactiviteiten die nagevraagd zijn bij de doelgroep. Per activiteit is nagevraagd hoeveel dagen in de week het kind de activiteit deed en voor hoeveel minuten op zo'n dag. Deze antwoorden zijn ingevuld door de ouders. De volgende beweegactiviteiten zijn nagevraagd:

  • Lopen van en naar de opvang
  • Fietsen van en naar de opvang
  • Buitenspelen bij de opvang
  • Buiten lopen of wandelen in de vrije tijd
  • Fietsen in de vrije tijd
  • Buitenspelen in de vrije tijd
  • Baby/peuterzwemmen
  • Sport

Op de website wordt per activiteit het aandeel peuters dat minimaal 1 keer per week de activiteit doet gerapporteerd. Daarbij wordt de gemiddelde tijd benoemt die wordt besteed aan de activiteit op een dag dat de peuter de activiteit uitvoert. Bij een klein aantal respondenten wordt hiervoor de mediaan tijd gebruikt.

Vragen over beweegactiviteiten door kinderen van 0 tot 4 jaar was in het jaar 2019 voor het eerst onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen (RIVM, VeiligheidNL en CBS), een enquête binnen de Leefstijlmonitor.

(Kern)Indicator: Beweegvriendelijke omgeving

Methode: De kernindicator is opgebouwd uit 4 deelindicatoren, die allen een score hebben van 0 tot en met 100;

1. Sportaccommodaties (diversiteit en nabijheid voetbalvelden, hockeyvelden, tennisbanen, sporthallen, fitnessvoorzieningen en zwembaden)
2. Sport- en speelplekken (nabijheid sport- en speelplekken in de openbare ruimte)
3. Recreatief groen en blauw (nabijheid en oppervlakte parken, water geschikt voor recreatief gebruik)
4. Nabijheid van voorzieningen (o.a. gemiddelde afstand tot supermarkt en school)

Omdat de mogelijkheden om te fietsen en wandelen centraal staan in de beweegvriendelijke omgeving, zijn de nabijheid van sportaccommodaties, sport- en speelplekken en recreatief groen en blauw, berekend door gebruik te maken van een fiets- en wandelwegennetwerk.

De deelindicatoren zijn op het laagst mogelijke geografisch schaalniveau berekend. De eerste drie deelindicatoren zijn berekend op het niveau van de CBS-vierkanten van 100 * 100 meter. We maken alleen gebruik van CBSCentraal Bureau voor de Statistiek vierkanten waar mensen wonen. Voor de deelindicator nabijheid van voorzieningen is gebruik gemaakt van de nabijheidsstatistieken (buurt-, gemeente- en nationaal niveau) van  het CBS.

De deelindicator sportaccommodaties brengt de nabijheid en diversiteit van de meest gebruikte sportaccommodaties (voetbalvelden, hockeyvelden, tennisbanen, sporthallen, fitnessvoorzieningen en zwembaden) in kaart. Voor elk type sportaccommodatie is een afstand bereikbaar met de fiets of te voet berekend die als “verzorgingsgebied” geldt. Zo is het verzorgingsgebied van fitnessaccommodaties 1.400 meter en van een zwembad 2.300 meter. Als de afstand tot de dichtstbijzijnde accommodatie groter is dan 150% van die afstand krijgt het CBS-vierkant een score van 0, als de afstand binnen 150% valt krijgt het vierkant score van 1, als het binnen de afstand valt een score van 2, en binnen 50% van de afstand een score van 3 punten. Zo krijgt het CBS-vierkant voor elk van de vijf typen accommodaties een score, die maximaal 15 punten bedraagt. Het percentage van het aantal behaalde punten betreft de score voor dat CBS-vierkant. Deze percentages worden vervolgens, gewogen naar het aantal inwoners per CBS-vierkant, geaggregeerd naar buurt, gemeente of landelijk niveau.

De deelindicator sport- en speelplekken brengt de nabijheid van sport- en speelplekken in kaart. Hiervoor wordt nagegaan welke CBS-vierkanten een sport- of speelplek binnen maximaal 400 meter hebben. Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van wegen die te voet of met de fiets toegankelijk zijn. Op buurt, gemeente of landelijk niveau wordt het percentage vierkanten dat aan deze eis voldoet, gewogen naar inwonersaantal, gerapporteerd. Bij deze deelindicator is het van belang dat de gegevens over speelplekken momenteel niet landsdekkend en uniform worden geregistreerd. De verwachting is dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Gezien het belang van sport- en speelplekken en de verwachting dat de onderliggende data in de nabije toekomst zal verbeteren, is deze deelindicator ondanks de beperkingen van de onderliggende gegevens, al opgenomen in de kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving.

De deelindicator recreatief groen en blauw brengt de nabijheid en het oppervlakte van recreatief groen en blauw (water) in kaart. Binnen een straal van 300 meter om een CBS-vierkant wordt het oppervlak groen en blauw berekend Hierbij wordt alleen groen en blauw meegenomen dat bereikbaar is via een weg die te voet of met de fiets toegankelijk is. Een vierkant krijgt op basis daarvan een aantal punten:

0 – 2 hectare recreatief groen en/of blauw = 0 punten
2 – 4 hectare recreatief groen en/of blauw =  1 punt
4 – 7 hectare recreatief groen en/of blauw =  2 punten
7 – 10,5 hectare recreatief groen en/of blauw =  3 punten
>10,5 hectare recreatief groen en/of blauw =  4 punten

Op buurt, gemeente en landelijk niveau wordt het percentage van de punten die behaald kunnen worden, gewogen naar inwonersaantal, de score van de deelindicator.

De nabijheid van voorzieningen wordt op vergelijkbare wijze als sportaccommodaties berekend. Hierbij zijn voorzieningen voor algemeen dagelijks gebruik meegenomen: huisarts, apotheek, supermarkt, overige levensmiddelenwinkels, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, basisschool en middelbare school en trein.  Afhankelijk van de nabijheid van de voorziening scoort een buurt, gemeente of Nederland tussen de 0 en 3 punten. Het percentage behaalde punten van de punten die behaald kunnen worden, is de score op de deelindicator.

Databron per deelindicator

Sportaccommodaties

Sport- en speelplekken

Recreatief groen- en blauw

Nabijheid van voorzieningen

(Kern)Indicator: Sportdeelname Wekelijks

Methode: De kernindicator sportdeelname wekelijks is vastgesteld met de SQUASH-vragenlijst waarmee naar het gebruikelijke sport- en beweeggedrag wordt gevraagd. Bij de vragen over sport kan een respondent maximaal vier sporten opgeven. Per sport wordt gevraagd hoeveel dagen per week de respondent deze sport beoefent. De vragenlijst is onderdeel van de Gezondheidsenquête, een enquête binnen de Leefstijlmonitor.

Meer informatie over de berekening van de kernindicator sportdeelname wekelijks is terug te lezen in onderstaand rapport.

Rapport Beweegrichtlijnen en Sportdeelname Wekelijks: van vragenlijst tot cijfer

(Kern)indicator: Tevredenheid sport- en beweegaanbod

Methode: De tevredenheid over het sport- en beweegaanbod in de omgeving is nagevraagd in de VTO. Het doel van de VTO is om ontwikkelingen van sport- en cultuurparticipatie in Nederland vast te stellen. De VTO wordt elke twee jaar uitgezet onder een representatieve steekproef uit het bevolkingsregister van Nederlanders vanaf 6 jaar en ouder. Tevredenheid over het sport- en beweegaanbod is bepaald door de gemiddelde score te berekenen over de waardering van de volgende drie stellingen:

  • In mijn omgeving zijn voldoende sportaccommodaties aanwezig
  • Ik heb voldoende keuze uit verschillende sporten in mijn buurt
  • In mijn buurt zijn voldoende wandel- of fietspaden of andere openbare plekken om te bewegen

De drie aspecten wegen even zwaar in de tevredenheidsscore. Ieder aspect is onderzocht met een stelling, waarachter een vijfpuntsschaal zit: van zeer mee eens tot zeer mee oneens. Meer informatie over de VTO is te vinden in de bronbeschrijving.

Indicator: Thuis voelen bij sportaanbieder

Methode: De indicator thuis/op gemak voelen bij sportaanbieder is nagevraagd bij respondenten die aangaven wekelijks aan sport te doen. Zij konden maximaal 4 sporten opgeven. Voor elke sport werd nagevraagd of zij de sport beoefenden bij een vereniging, een andere sportaanbieder (zoals een fitnesscentrum, dansschool of zwembad) of geen van beide. Het was mogelijk om op deze vraag meerdere antwoorden te geven. Vervolgens werd nagevraagd in welke mate de respondent zich op zijn/haar gemak voelt bij de sportaanbieder op een schaal van 1 tot 10. Om tot een cijfer te komen voor 'alle sportaanbieders' zijn de antwoorden op deze vragen samen genomen per respondent tot één gemiddelde.

Deze vraag was in het jaar 2019 voor het eerst onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen (RIVM, VeiligheidNL en CBS), een enquête binnen de Leefstijlmonitor.

Indicator: Trainer heeft persoonlijke aandacht voor welbevinden kinderen

Methode: De indicator persoonlijke aandacht van trainer voor wel bevinden van kinderen is nagevraagd voor gym-, zwem- en sportdocenten en trainers. Bij kinderen onder de 12 jaar werd deze vraag ingevuld door de ouders. Ook werd aan de ouders gevraagd hoe tevreden zij zelf zijn met de persoonlijke aandacht van gym-, zwem- en sportdocenten en trainers voor het welbevinden van hun kind.

Voor gymdocenten werd de vraag onder alle basisschool leerlingen gesteld wanneer zij aangaven gymles te volgen op school. Voor zwemdocenten werd de vraag gesteld aan alle kinderen onder de 12 jaar die aangaven minimaal één keer in de week te zwemmen. Voor sportdocent is de tevredenheid met persoonlijke aandacht nagevraagd bij kinderen en jongeren (12 t/m 17 jaar). Zij kregen de vraag per opgegeven sport voorgelegd waarvoor zij een training volgde. Hierbij konden zij aangeven door wie de training werd verzorgd. Antwoord opties waren: 1) door ouder of vrijwilliger; 2) jeugdspeler uit een hoger team; 3) een professional; 4) anders. Het was mogelijk om meerdere antwoorden te kiezen. Per soort trainer is uitgevraagd wat zij vonden van de persoonlijke aandacht voor hun welbevinden.

Vragen over persoonlijke aandacht van trainer voor welbevinden van kind was in het jaar 2019 voor het eerst onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen (RIVM, VeiligheidNL en CBS), een enquête binnen de Leefstijlmonitor.

(Kern)indicator: Veilig sportklimaat - wangedrag

Methode: Het meemaken van wangedrag in de sport is nagevraagd in de VTO. Het doel van de VTO is om ontwikkelingen van sport- en cultuurparticipatie in Nederland vast te stellen. De VTO wordt elke twee jaar uitgezet onder een representatieve steekproef uit het bevolkingsregister van Nederlanders vanaf 6 jaar en ouder.

De vraag over een wangedrag in de sport wordt gesteld aan personen van 12 jaar en ouder die aan hebben gegeven in de afgelopen 12 maanden te hebben gesport of een sportwedstrijd of -evenement te hebben bezocht. De vraagstelling voor wangedrag was: 'Met welke vormen van wangedrag heeft u in de afgelopen 12 maanden zelf of als getuige te maken gehad in de sport? Hierbij bedoelen we niet eventueel wangedrag dat u op tv hebt gezien.'. Dit is een meerkeuze vraag, meerdere antwoordopties zijn mogelijk (eg. diefstal, vernieling, geweld, discriminatie, seksuele intimidatie, overlast en geen van bovenstaande). De gepresenteerde cijfers betreft het deel van de maandelijkse sporters en/of wedstrijdbezoekers dat heeft aangegeven één of meerdere vormen te hebben gezien of ondergaan. Meer informatie over de VTO is te vinden in de bronbeschrijving.

(Kern)Indicator: Zitgedrag

Methode: De kernindicator zitgedrag is nagevraagd met een aangepaste versie van de Marshall vragenlijst*. In deze vragenlijst wordt gevraagd om voor een normale week in de afgelopen maanden de gemiddelde tijd te schatten die op een doordeweekse dag en op een weekenddag zittend besteed wordt aan:

  • Vervoer, bijvoorbeeld zitten in een auto, bus of trein;
  • Werk, bijvoorbeeld achter een bureau zitten of computer of tablet gebruiken op het werk of thuis;
  • School of studie, bijvoorbeeld zitten tijdens de les of huiswerk maken op school of thuis;
  • Televisie kijken;
  • Thuis een computer, tablet  of smartphone gebruiken, voor email, computerspelletjes, informatie opzoeken of chatten;
  • Andere zittende vrijetijdsbestedingen, bijvoorbeeld kletsen, eten, (krant) lezen, puzzelen, handwerken, een muziekinstrument bespelen, bioscoopbezoek etcetera.

De vragenlijst is onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen (RIVM, VeiligheidNL en CBS), een enquête binnen de Leefstijlmonitor.

*Marshall AL, Miller YD, Burton NW, Brown WJ. Measuring total and domain-specific sitting: a study of reliability and validity. Med Sci Sports Exerc 2010;42:1094–1102