Waarom bewegen ouderen minder dan volwassenen onder de 65 jaar?

Ondanks dat ouderen over de jaren meer zijn gaan bewegen en sporten is er nog veel winst te behalen. In 2017 voldeed maar ongeveer een derde aan de Beweegrichtlijnen (37%) en sportte niet eens de helft wekelijks (43%). Dit percentage ligt veel lager dan dat van volwassenen onder de 65 jaar (respectievelijk; 50% en 55%). Een verklaring kan zijn dat hun sociale omgeving smaller is geworden, door bijvoorbeeld overlijdensgevallen, en zij minder mobiel zijn geworden, waardoor ze minder gestimuleerd worden om actief te zijn. Een andere mogelijke verklaring is dat ouderen vaker chronische aandoeningen en lichamelijke beperkingen hebben dan (jong)volwassenen (Nivel Zorgregistraties, 2016; Gezondheidsenquête, 2016). Chronische aandoeningen en lichamelijke beperkingen brengen belemmeringen om te bewegen of te sporten met zich mee. Ouderen al dan niet met een chronische aandoening kunnen bang zijn om te vallen met een letsel als gevolg of om gezondheidsproblemen te verergeren. Voor mensen met een lichamelijke beperking kan de beperking zelf een belemmering vormen om te bewegen, omdat de beperking het motorisch functioneren en de fitheid heeft beïnvloed. Een gevolg daarvan kan zijn dat men eerder vermoeid raakt en pijn ervaart waardoor sport en bewegen wordt bemoeilijkt (Hoogendoorn & de Hollander, 2017). In onze analyses naar specifieke doelgroepen zagen we dan ook dat met name de oudste ouderen (80 plussers) en ouderen met een lichamelijke beperking en een chronische aandoening het minst bewegen en sporten.

Wandelen en fietsen werden over het algemeen het meest gedaan door ouderen. Deze activiteiten lijken daarom belangrijke activiteiten voor ouderen om te voldoen aan de beweegrichtlijnen. Daarnaast zijn wandelen en fietsen relatief makkelijk in te passen in het dagelijks leven. Alleen 80-plussers en ouderen met een chronische aandoening en lichamelijke beperking fietsten opvallend weinig ten opzichten van andere groepen ouderen. Wat betreft sportactiviteiten deden de meeste groepen ouderen aan fitness, zwemmen en fietsen of tennis. Echter, ouderen boven de 80 en ouderen met een chronische aandoening en lichamelijke beperking deden aan gymnastiek in plaats van fietsen of tennis. Dit lijkt weer te geven dat zij meer geneigd zijn activiteiten in een veilige afgebakende omgeving te doen. Dit zou kunnen komen doordat de omgeving niet is ingericht op de behoefte en veiligheid van de ouderen. Voor ouderen is het bijvoorbeeld belangrijk dat fietspaden goed onderhouden worden, breed genoeg zijn, gescheiden van het overige verkeer, en geen overbodige paaltjes hebben. Voor voetpaden geldt onder andere dat deze zo min mogelijk drempels, geen obstakels en losliggende stoeptegels mogen bevatten (Nijland, 2017). Ook zouden ouderen zich minder veilig kunnen voelen door een verminderde balans en angst hebben om te vallen (Maki & McIlroy, 1997) waardoor ze wellicht minder geneigd zijn om in de buurt te gaan wandelen of fietsen. Balansoefeningen zouden kunnen helpen om dit gevoel weg te nemen. In ons onderzoek deden echter maar weinig ouderen aan balansoefeningen. Dat kan komen doordat in onze studie niet naar balansoefeningen werden gevraagd, maar enkel naar specifieke activiteiten, zoals wandelen, fietsen en sporten. Het type sport kan men wel vrij invullen. Aan de hand van de ingevulde sport is bepaald of er een balans onderdeel in zit, zoals bij dansen, surfen, gymnastiek, yoga en enkele vechtsporten. Dat het doen van balansoefeningen gekoppeld is aan een sport in onze studie is terug te zien in onze resultaten. Vrouwen deden vaker balansoefeningen dan mannen, omdat zij vaker sporten deden die dit element bevatten, namelijk gymnastiek en yoga. Het zou aan te bevelen zijn het doen van balansoefeningen te stimuleren via aparte initiatieven of op te nemen in alle beweeg- en sportactiviteiten voor ouderen zoals bij Meer Bewegen Voor Ouderen en ZekerBewegen. Door ook aandacht aan balans te besteden kunnen ouderen zich veiliger en zekerder voelen over hun fysieke mogelijkheden waardoor zij gestimuleerd worden om meer te gaan bewegen tijdens het dagelijks leven.

Lager versus hoger opgeleide ouderen

Ouderen met een lager opleidingsniveau voldeden relatief weinig aan de beweegrichtlijnen en sportte minder vaak wekelijks dan ouderen met een hoger opleidingsniveau. Een verklaring hiervoor kan zijn dat ouderen met een lagere opleiding vaker een chronische aandoening en/of beperking hebben waardoor sporten en bewegen belemmerd kan worden (CBS, 2018; Gezondheidsenquête, 2017). Ouderen met een lager opleidingsniveau lijken minder kennis te hebben over de gezondheidsvoordelen van bewegen en sporten. Daarnaast leven hoger opgeleide ouderen vaak in een sociale omgeving waarin het gebruikelijk is een gezonde leefstijl na te streven (WRR, 2018). Andere factoren die een rol zouden kunnen spelen zijn dat ouderen met een lagere opleiding vaak minder geld te besteden hebben en in mindere mate zijn opgegroeid en opgevoed met sport (Hoogendoorn & de Hollander, 2017). Uit uitgebreidere analyses blijkt dan ook dat bij hoger opgeleide ouderen relatief dure sporten, namelijk tennis en golf, in de top 5 staan van de sporten die zij beoefenen ten opzichten van lager opgeleiden.

Ouderen met ernstig overgewicht

Ouderen met ernstig overgewicht scoorden relatief laag op sport en bewegen, en was de enige groep die gemiddeld hoger scoorde op zitgedrag. Overgewicht ontstaat als gevolg van een verstoorde energie balans waarbij de calorie-inname groter is dan het calorieverbruik (bewegen). Bij het zitgedrag van ouderen met ernstig overgewicht viel op dat zij vaker voor de tv zaten dan ouderen zonder overgewicht. Van mensen die langdurig voor de tv zitten is bekend dat zij in verhouding meer snacken (Pearson & Biddle, 2011). Dit zou één van de verklaringen kunnen zijn voor het verband dat wij vonden tussen ernstig overgewicht en relatief weinig beweging. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ouderen met ernstig overgewicht vaker lichamelijke klachten hebben dan ouderen zonder overgewicht (Al Snih et al., 2007). Dit belemmert op zijn beurt weer sport- en beweegdeelname.

Mannen versus vrouwen

Oudere mannen voldeden vaker aan de beweegrichtlijnen dan vrouwen, maar sportten even vaak wekelijks en zaten wel evenveel. Een van de verklaringen kan zijn dat vrouwen vaker chronische aandoeningen en beperkingen hebben dan mannen (Gezondheidsenquête, 2017). Een andere mogelijke verklaring is dat van oudsher de rol van de man is om de klussen om en rond het huis te doen en de vrouw de zorg van de kinderen en het huishouden (Treas & Drobnič, 2010). Ook werd lichamelijke activiteit en sport vroeger gezien als vrijetijdsbesteding voor mannen (Derks, 2014-2018). Uit onze analyses bleek dan ook dat mannen meer tijd besteedden aan tuinieren, klussen en fietsen dan vrouwen. Ook sportten mannen een uur langer per week dan vrouwen. Dit kan komen door voorgaande verklaring, maar kan ook simpeweg komen door het type sport dat mannen uitoefenen. Mannen deden vaker sporten waar per keer meer tijd aan wordt besteed dan vrouwen, zoals fietsen.

Conclusie

Onze resultaten laten zien dat 80-plussers, ouderen met een chronische aandoening en beperking, ouderen met een laag opleidingsniveau, ouderen met ernstig overgewicht en oudere vrouwen het minst bewegen. Tussen de groepen ouderen zijn verschillen gevonden in de tijd besteed aan sport- en beweegactiviteiten. Dit suggereert dat de specifieke groepen ouderen verschillende voorkeuren voor sport- en beweegactiviteiten hebben. Bij de ontwikkeling van beweegprogramma’s en adviezen voor specifieke groepen ouderen zou hier rekening mee gehouden kunnen worden. Daarbij kan gekeken worden naar de behoeften van ouderen, zoals welke activiteiten zij graag uitoefenen en in welke context. Zo is bekend dat ouderen bijvoorbeeld waarde hechten aan het sociale aspect en aan een veilige omgeving met trainers die kennis hebben van gezondheidsproblemen (Hoogendoorn & de Hollander, 2017).

Bronvermelding
Bewegen & Sport: Gezondheidsenquete/Leefstijlmonitor, CBSCentraal Bureau voor de Statistiek in samenwerking met RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2017
Zitgedrag: LSM-A Bewegen en Ongevallen/ Leefstijlmonitor, CBS in samenwerking met RIVM , 2017