Op deze pagina wordt het toekomstig verloop beschreven van de kernindicator Beweegvriendelijke omgeving. Dit zijn de uitkomsten van een simulatie waarbij is gekeken naar de toekomstige effecten van maatschappelijke ontwikkelingen op deze kernindicator. Deze pagina beschrijft wat er in de grafiek te zien is en wat de belangrijkste factoren (maatschappelijke ontwikkelingen of andere parameters die van belang zijn) zijn die er het meest voor zorgen dat de kernindicator zich in een goede (kansen) of juist minder goede (dreigingen) richting ontwikkelt.
Zie voor meer informatie over de gebruikte methoden het methoderapport.
Over de kernindicator
De kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving laat zien hoe de fysieke omgeving in de openbare ruimte scoort op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen. De veronderstelling is dat een meer beweegvriendelijke omgeving bijdraagt aan meer sporten en bewegen. De kernindicator bestaat uit 4 deelindicatoren, die allen een score hebben van 0 tot en met 100;
- Sportaccommodaties (diversiteit en nabijheid voetbalvelden, hockeyvelden, tennisbanen, sporthallen, fitnessvoorzieningen en zwembaden)
- Sport- en speelplekken (nabijheid sport- en speelplekken in de openbare ruimte)
- Recreatief groen en blauw (nabijheid en oppervlakte parken, water geschikt voor recreatief gebruik)
- Nabijheid van voorzieningen (o.a. gemiddelde afstand tot supermarkt en school)
De totaalscore is het gemiddelde van de scores op de deelindicatoren waarop een score is behaald. Hoe hoger de score, hoe meer mensen een goede bereikbaarheid, nabijheid of diversiteit van een deelindicator hebben. De definitie van de kernindicator is: De score van de openbare ruimte op de mogelijkheid voor mensen om te sporten en te bewegen.
Zie voor meer informatie over Sportaccommodaties de Kernindicatorpagina.
Bron: Diverse bronnen (Mulier instituut), 2001 - 2024 en berekeningen RIVM, 2024 - 2040.
Uitleg bij de grafiek
De zwarte lijn geeft de historische trend in beweegvriendelijke omgeving weer. In 2024 bedraagt de gemiddelde score voor heel Nederland op de kernindicator Beweegvriendelijke Omgeving 68 op een schaal van 0 tot en met 100. De beweegvriendelijkheid van de omgeving is sinds 2020 gestegen met 8 punten. De scores op de deelindicatoren zijn als volgt: sport en speelplekken 82, nabijheid van voorzieningen 69, recreatief groen en blauw 63 en sportaccommodaties 56. In 2020 is de rekenmethodiek vernieuwd, waardoor de scores vanaf 2020 niet te vergelijken zijn met eerdere jaren. Niet-stedelijke gebieden zijn minder beweegvriendelijk.
Het gekleurde gebied na 2024 geeft de toekomstscenario’s weer. Deze grafiek toont het resultaat van de analyse van 10.000 scenario’s. Met drie kleuren zijn clusters van scenario’s weergegeven. Het paarse gebied in de grafiek geeft de 10% scenario’s weer met de hoogste waarden. Het blauwe gebied in de grafiek geeft de 10% scenario’s met de laagste waarden. 80% van de scenario’s leidt tot een waarde van de kernindicator in het grijze gebied.
Belangrijkste factoren die bijdragen aan hoogste en laagste scenario’s
Kansen (hoogste 10%)
De volgende factoren leiden gezamenlijk tot de toekomstscenario’s met de hoogste score wat betreft beweegvriendelijke omgeving:
- Verstedelijking hoog - Meer verstedelijking: Meer verstedelijking zorgt voor hogere scores op sportaccommodaties, sport- en speelplekken en nabijheid van voorzieningen, al kan de score voor recreatief groen en blauw afnemen.
- Decentralisatie hoog - Hogere sportuitgaven van gemeenten: Hogere uitgaven aan sport en spelen versterken de ontwikkeling van sportaccommodaties en sport- en speelplekken, wat de beweegvriendelijke omgeving verbetert.
Dreigingen (laagste 10%)
De volgende factoren leiden gezamenlijk tot de toekomstscenario’s met de laagste score wat betreft beweegvriendelijke omgeving:
- Verstedelijking laag - Beperkte verstedelijking: Bij weinig bevolkingsgroei of krimp neemt de druk op de ruimte minder toe; zonder extra investeringen kan dit betekenen dat voorzieningen minder toegankelijk of minder aanwezig zijn per inwoner.
- Decentralisatie laag - Lage gemeentelijke sportuitgaven: Als er weinig wordt geïnvesteerd in sportaccommodaties en sport- en speelplekken, verbetert de fysieke omgeving beperkt of verslechtert deze zelfs.
- Decentralisatie laag - Lage sportuitgaven én beperkte verstedelijking: De combinatie van lage sportuitgaven en beperkte verstedelijking leidt in de modelberekeningen tot de relatief laagste scores voor de beweegvriendelijke omgeving.