Letsel dat tijdens of als gevolg van een sportactiviteit is ontstaan en waardoor deze activiteit gestaakt moest worden of aan de eerstvolgende sportactiviteit niet kon worden deelgenomen

 

Sportblessures worden gemonitord met twee indicatoren:

  • Blessurerisico: Het aantal blessures op basis van 1000 uur sportbeoefening in de bevolking van 4 jaar en ouder
  • Geblesseerde sporters: het aandeel wekelijkse sporters van 4 jaar en ouder dat heeft aangegeven in de afgelopen 3 maanden een sportblessure te hebben gehad. 

Bron: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor,  CBSCentraal Bureau voor de Statistiek i.s.m het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Meetjaar: 2018
Nieuwe cijfers: september 2020 

Overzicht

Het blessurerisico en het percentage geblesseerde sporters zijn onderdeel van de 20 kernindicatoren voor het landelijk monitoren van sport en bewegen. Wat is het blessurerisico van Nederlanders? Op deze pagina worden de nationale cijfers gepresenteerd. Deze worden voor verschillende groepen in de bevolking beschreven. Het aandeel van de Nederlanderse sporters dat een blessure op loopt wordt beschreven. Ook wordt aandacht besteed aan sporttakken waarbij fequent blessures optreden en  lichaamsdelen die (het vaaktst) geblesseeerd raken.  Daarnaast worden de cijfers voor ernstige blessures gepresenteerd. Ook wordt een korte toelichting op het huidige blessurepreventie beleid gegeven.

Heden, verleden en toekomst

Blessurerisico Geblesseerde sporters

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

3.4 blessures per 1000 sporturen

In 2018 rapporteerde 12% van de wekelijkse sporters een sportblessure opgelopen te hebben in de afgelopen 3 maanden. Op jaarbasis komt dit naar schatting overeen met 4,1 miljoen geblesseerde sporters in Nederland. Gezamenlijk liepen zij rond de 5,4 miljoen blessures op, wat overeenkomt met 3,4 blessures per 1.000 uur sport.

Het aandeel geblesseerde sporters is vergelijkbaar met cijfers uit 2017. Door een verandering in methodologie is het niet mogelijk om cijfers over blessurerisico uit het heden te vergelijken met het verleden. 

In de Sport Toekomstverkenning wordt geconcludeerd dat naar verwachting het aantal sportblessures onder de gehele bevolking toeneemt.

BronGezondheidenquête/Leefstijlmonitor CBSCentraal Bureau voor de Statistiek  i.s.m het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu  (2017, 2018).

Methode: De kernindicator blessurerisico wordt berekend door het totaal aantal opgelopen blessures in de populatie te delen door totaal aantal gesporte uren in de populatie en dit uit te drukken per 1000 sporturen.  De indicator geblesseerde sporters wordt berekend op basis van de vraag of respondenten in de afgelopen 3 maanden een sportblessure hebben opgelopen. 

Sportblessures in verschillende groepen van de bevolking

Geslacht

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Mannen vaker geblesseerd dan vrouwen

In 2018 rapporteerde 14,8% van de mannelijke sporters een sportblessure te hebben opgelopen in de afgelopen 3 maanden. Voor vrouwen was dit percentage 8,3%. Het gemiddeld aantal uren dat mannen sporten is hoger vergeleken met vrouwen (217 versus 160 uren per jaar). Echter uitgedrukt per 1000 sporturen hebben mannelijke sporters  ook een grotere kans op het krijgen van  een sportblessure dan vrouwelijke sporters. (4,0 versus 2,7).

Leeftijd

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

55 plussers minst vaak geblesseerd

In 2018 rapporteerde 5,5% van de sportende 55-plussers één of meer sportblessures te hebben opgelopen in de afgelopen 3 maanden. Voor de jongere leeftijdsgroepen ligt dit percentage hoger.  Het gemiddeld aantal gesportte uren per jaar is redelijk vergelijkbaar tussen de leeftijdsgroepen. Sporters onder de 35 jaar hebben echter wel een grotere kans op een sportblessure dan oudere sporters. De kans om een sportblessure op te lopen is het kleinst onder Nederlanders van 55 jaar en ouder.

Geslacht en leeftijd

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Meeste blessures onder 4 t/m 34 jarige mannen

In 2018 rapporteerde 17,8% van de sportende jongens (4 t/m 17 jaar) en 19,9% van de sportende jonge mannen (18 t/m 34 jaar) één of meer sportblessure te hebben opgelopen in de afgelopen 3 maanden. Deze percentages zijn hoger vergeleken met de andere geslachtspecifieke leeftijdsgroepen. Daarnaast hebben jongens en jonge mannenns ook het grootste risico op het krijgen van een sportblessure (5,0 en 5,2 blessures per 1.000 uur sport).

 

Opleidingsniveau

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Lager opgeleiden minder vaak geblesseerd

In 2018 rapporteeerde 5,1% van de sportende lager opgeleiden van 25 jaar en ouder in de afgelopen 3 maanden één of meer sportblessures te hebben opgelopen. Dit percentage dan onder hoger opgeleiden (12%). Het gemiddeld aantal gesporte uren op jaarbasis is vergelijkbaar tussen de opleidingsniveaus. Het risico op het krijgen van een sportblessure is daarom ook kleiner voor lager opgeleiden vergeleken met hoger opgeleiden (1,5 versus 3,4 sportblessures per 1000 uren sport).

Langdurige aandoening/beperking,

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Minder blessures bij mensen met zowel aandoening als beperking

In 2018 was het percentage sporters dat een blessure heeft opgelopen in de afgelopen 3 maanden en het risico op het krijgen van een sportblessure het laagst onder mensen met zowel een langdurige aandoening als een lichamelijke beperking vergeleken met mensen met alleen een langdurige aandoening, alleen een lichamelijke beperking of geen aandoeningen of beperking. Dit kan mede komen omdat mensen met zowel een aandoening als een beperking minder uren sporten op jaarbasis of dat zij minder risicovolle sporten doen vergeleken met de andere groepen. Mensen met alleen een lichamelijke beperking hebben het grootste risico op het oplopen van een sportblessure vergeleken met de andere groepen.

Zie Kernindicator sportdeelname wekelijks voor cijfers over wekelijkse sportdeelname door deze groepen.

Blessures naar sporttak

Totale bevolking

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Kwart  sportblessures ontstaat bij veldvoetbal

Veldvoetbal is de sporttak waarin de meeste blessures worden opgelopen (25%). Ook tijdens fitness (16%) en hardlopen (14%) werd een aanzienlijk deel van de blessures opgelopen. Gezamenlijk waren deze drie sporttakken verantwoordelijk voor ruim de helft (55%) van de in 2018 in Nederland opgelopen blessures. In het perspectief van het aantal uren dat aan deze sporttakken besteed werd kende fitness een aanmerkelijk kleiner risico op een blessure (1,8 blessure per 1.000 uur sport) dan voetbal (7,3) en hardlopen (6,3).

Leeftijd

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Leeftijdsverdelingen geblesseerde sporters verschilt per sporttak

Tijdens veldvoetbal lopen veel meer kinderen/jongeren in de leeftijd 4 tot en met 17 jaar een blessure op dan tijdens hardlopen en fitness. Hardlopers lopen de meeste blessures op in de leeftijd van 35 tot en met 54 jaar. Fitness kent de meeste geblesseerden in de leeftijdsgroep 18 tot en met 34 jaar. Veldvoetbal kende heel weinig geblesseerden van 55 jaar of ouder en bij hardlopen en fitness komen geblesseerden onder de 18 jaar bijna niet voor. 

Sportblessures naar geblesseerd lichaamsdeel

Eén op vijf blessures is aan de knie

Zes op de tien sportblessures in 2018 waren blessures aan de onderste extremiteiten. De meest opgelopen blessure was de knieblessure: één op de vijf geblesseerden raakte geblesseerd aan de knie. Ook blessures aan het been en aan de enkel kwamen veel voor.  

Van de drie grootste blessuresporten valt op dat van alle hardloopblessures 78% een blessure aan de onderste extremiteiten was (vooral aan het been, excl. enkel/knie; 29%). Ook voor veldvoetbal geldt dat de meerderheid van de blessures voorkomt aan de onderste extremiteiten (75%, vooral knieblessures; 29%). Fitness, daarentegen, kent vooral blessures aan de schouder (24%), de knie (20%) en de rug of ruggenwervel (13%). 

Een derde deel van de sportblessures ontstond geleidelijk, vaak door overbelasting. Twee derde was een acuut ontstane blessure. 

Ernst sportblessure

SEH-bezoek naar sporttak

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Meeste SEHSpoedeisende hulp-bezoeken door veldvoetbal

Veldvoetbal leidt nog steeds tot de meeste SEH-bezoeken in verband met een blessure, in 2018 waren dat er 33.100, ruim een kwart van alle SEH-bezoeken in verband met een sportblessure. Dit betekent niet dat veldvoetbal ook de meest risicovolle sport is. Veldvoetbal staat bovenaan omdat het een veel beoefende sport is. Op afstand volgt bewegingsonderwijs op de tweede plaats met 13.000 SEH-bezoeken, wat overeenkomt met elf procent van het totaal. Ook paardensport, hockey en wielrennen leiden tot veel SEH bezoeken.

Mountainbiken meest risicovolle sport

Op basis van alle sporttakken waarvoor betrouwbare gegevens over de hoeveelheid sporturen beschikbaar zijn blijkt dat mountainbiken de meest risicovolle sport per 1.000 uur is, gevolgd door wielrennen en veldvoetbal. 

*Bron: Letsel Informatie Systeem, 2018

Trend in ernstige blessures SEH

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Het aantal ernstige blessures neemt af

Van alle SEHSpoedeisende hulp-bezoeken is ongeveer de helft ernstig. In de periode van 2008-2018 is het aantal SEH-bezoeken in verband met een ernstige sportblessure gedaald met 14%. In deze trend is geen rekening gehouden met veranderingen in het aantal gesporte uren in deze periode, alleen met veranderingen in bevolkingssamenstelling. Aangezien het totaal aantal sporters in deze periode is toegenomen lijkt er echter wel sprake van een gunstige ontwikkeling in het risico op een ernstige sportblessure.  Ernstige blessures zijn voornamelijk fracturenBotbreuken en -scheuren en luxatieLuxatie, ook wel ontwrichting of dislocatie is het uit de kom schieten van een gewricht. De exacte definitie van een ernstige blessure zoals hier gebruikt is terug te vinden in het rapport.

*Bron: Letsel Informatie Systeem, 2018

Dodelijke slachtoffers door sportongevallen

Aantal dodelijke slachtoffer door sportongevallen

In de Krantenknipselregistratie zijn in 2018 in totaal 39 dodelijke sportongevallen in Nederland geregistreerd. Vooral zwemmers overleden, in totaal 16. Daarnaast overleden 7 wielrenners.  
 
Ook overleden in 2018 nog 12 Nederlanders tijdens sporten in het buitenland,  veelal tijdens zwemmen, bergbeklimmen en skiën.

Voor de exacte cijfers van alle sporten zie de rapportage van VeiligheidNL 'Sportblessures in Nederland, cijfers 2018'.

 

 

Sportblessure beleid

Sportblessure preventie

In opdracht van het ministerie van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt ZonMwNederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie financiering beschikbaar voor onderzoek op het gebied van sportblessures. ZonMw stimuleert de ontwikkeling van meer kennis over hoe deze blessures te voorkomen, zodat minder mensen hiervoor kosten maken in de zorg, uitvallen in de sport en verzuimen op school of op het werk. Het programma sportblessure preventie is hier een voorbeeld van. Het uitgangspunt van dit programma is dat gedegen kennis de basis vormt van succesvolle interventies. De wisselwerking van kennis naar praktijk en van praktijkvraag naar kennisontsluiting staan daarbij centraal. ZonMw voert het programma in opdracht van het ministerie van VWS uit. De looptijd is van 2016 tot en met 2021.

 

 

Meer informatie

E.J. Kemler (VeiligheidNL)
H. Valkenberg (VeiligheidNL)