Thumbnail

Het absoluut arbeidsvolume in de sport

 

Bron: Sportsatellietrekening, 2012 door het CBSCentraal Bureau voor de StatistiekCentraal Bureau voor de StatistiekCentraal Bureau voor de Statistiek
Meetjaar: 2012
Nieuwe cijfers: 2019

 

Overzicht

Werkgelegenheid in de sport is één van de 20 kernindicatoren voor het landelijk monitoren van sport en bewegen. Hoeveel mensen in Nederland werken er in de sport sector? Op deze pagina worden de cijfers van de afgelopen jaren gepresenteerd.

Heden, verleden en toekomst

Heden

Thumbnail

1,3% van de totale werkgelegenheid in Nederland betreft sport

In 2012 werkten 130.000 mensen (1,4% van het totaal aantal werkzame personen) in omgerekend 90.000 voltijdbanen in de sport. Dit kwam neer op 1,3% van het totaal aantal voltijdbanen in Nederland in dat jaar.

In de Sport Toekomstverkenning wordt geconcludeerd dat de werkgelegenheid in de sport ongeveer gelijk zal blijven de komende jaren. Lichte economische groei kan leiden tot meer werkgelegenheid. Tegelijkertijd leiden individualisering, daling in clublidmaatschap, bezuinigingen en de participatiesamenleving tot minder betaalde krachten in de sport.

Trend

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Aantal mensen dat werkzaam is in de sport neemt af

Het aantal mensen dat werkzaam is in de sport is tussen 2006 en 2012 afgenomen. Uitgedrukt in voltijdbanen werkten er in 2006 100.000 fte’s in de sport oftewel 1,4% van de totale werkgelegenheid in Nederland. In 2012 waren dit 90.000 fte’s (1,3% van de totale economie). De werkgelegenheid in de sport heeft zich dus minder gunstig ontwikkeld dan de totale werkgelegenheid. De afname van de werkgelegenheid in de sport voltrok zich vooral tussen 2010 en 2012.

BronCBSCentraal Bureau voor de StatistiekCentraal Bureau voor de Statistiek, De Nederlandse sporteconomie 2006-2012

Methode: Naast de bedrijfstak sport zijn ook andere bedrijfstakken actief in het produceren van sportactiviteiten en allerlei aanvullende goederen en diensten die voor sport en sportbeoefening nodig zijn of hieruit voortvloeien. Vanuit deze brede definitie omvat de sporteconomie bijvoorbeeld ook de lessen lichamelijke opvoeding  binnen het onderwijs en de productie en consumptie van sportkleding en sportartikelen. Bovenstaande, aangevuld met datgene wat voortvloeit uit het 'bestaan' van sport in een samenleving zoals sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen op tv, gezondheidszorg gerelateerd aan sportblessures en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen, vormt de brede definitie van de sporteconomie.

Alleen de sportgerelateerde productie die bestemd is voor finale besteding wordt meegerekend. Producten die dienen als input voor een andere sportproducent (het zogenaamde intermediair verbruik) tellen niet mee. Voorbeelden van dit laatste zijn materialen voor sportschoenen of sportfietsen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets.

A.D. Kuipers (CBSCentraal Bureau voor de Statistiek)