1% van het bruto binnenlands product gaat naar sport

De bijdrage van de sport aan de Nederlandse economie uitgedrukt als aandeel in het bruto binnenlands product (bbp)

 

Bron: Satellietrekening sport, 2015 door het CBSCentraal Bureau voor de StatistiekCentraal Bureau voor de Statistiek
Meetjaar: 2015
Nieuwe cijfers: Nog nader te bepalen

Overzicht

Het bruto binnenlands product van de sporteconomie is één van de 20 kernindicatoren voor het landelijk monitoren van sport en bewegen. Wat is de bijdrage van sport aan de Nederlandse economie? Op deze pagina worden de cijfers van de afgelopen jaren gepresenteerd.

Heden, verleden en toekomst

Heden

Aandeel sporteconomieDe brede definitie van sporteconomie omvat het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie). in totale economie één procent

In 2015 bedroeg het aandeel van de sporteconomie in de totale Nederlandse economie (het bbp) 1%.

In de Sport Toekomstverkenning wordt geconcludeerd dat de sporteconomie licht zal groeien in de komende jaren.

Meer informatie over de Nederlandse sporteconomie 2006-2015 is hier te vinden.

Trend

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Aandeel sporteconomieDe brede definitie van sporteconomie omvat het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie). in totale economie stabiel

Tussen 2006 en 2015 nam het aan sport gerelateerde bbp toe van 5,7 miljard euro tot 7,1 miljard euro. In 2006 bedroeg het aandeel van de sporteconomie in de totale economie 1,0%. In 2010 was dit aandeel afgerond 1,1%. In 2012 en 2015 was dit weer 1,0%.

Meer informatie over de Nederlandse sporteconomie 2006-2015 is hier te vinden.

 

Bron: CBS, Satellietrekening sport 2006-2015

Methode: Naast de bedrijfstak sport (waaronder aanbieders van sport- en fitnessdiensten) zijn ook andere bedrijfstakken actief in het produceren van sportactiviteiten en allerlei aanvullende goederen en diensten die voor sport en sportbeoefening nodig zijn of hieruit voortvloeien. Deze brede definitie van de sporteconomieDe brede definitie van sporteconomie omvat het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie).  omvat bijvoorbeeld ook de lessen lichamelijke opvoeding binnen het onderwijs en productie en consumptie van sportkleding en -artikelen. Bovenstaande, aangevuld met datgene wat voortvloeit uit het 'bestaan' van sport in een samenleving zoals sportbijlagen in kranten, sportuitzendingen op tv, gezondheidszorg gerelateerd aan sportblessures en horeca-uitgaven van sporters en bezoekers van sportevenementen, vormt de meest brede definitie van de sporteconomie.

Alleen de aan sport gerelateerde productie die bestemd is voor finale besteding wordt meegerekend in de Satellietrekening sport. Goederen en diensten die dienen als input in het productieproces voor andere sportproducten (het zogenaamde intermediair verbruik) tellen niet mee; bijvoorbeeld materialen die onderdeel zijn van de uiteindelijke sportschoen of -fiets.

De sporteconomie naar bedrijfstak

Aandeel verschillende bedrijfstakken

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Onderwijs grootste bedrijfstak binnen de sporteconomieDe brede definitie van sporteconomie omvat het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie).

In 2015 had de bedrijfstak onderwijs het grootste aandeel in de bruto toegevoegde waarde van de sporteconomie, gevolgd door de bedrijfstak sport en recreatie zelf. De bijdrage van onderwijs aan de sporteconomie bestaat voor een groot deel uit de uren lichamelijke opvoeding in het primair en voortgezet onderwijs (met name arbeidsuren van docenten).

* De bruto toegevoegde waarde is ruwweg het verschil tussen de waarde van de geproduceerde goederen en diensten en de daarvoor verbruikte goederen en diensten.

Trend

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Toegevoegde waarde van sporteconomieDe brede definitie van sporteconomie omvat het sporten zelf, de goederen en diensten die nodig zijn om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) én datgene dat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie). is toegenomen

In de periode 2006-2015 is de toegevoegde waarde* van de sporteconomie toegenomen van 5,2 miljard euro naar 6,2 miljard euro. 

Aandeel bedrijfstak sport en recreatie constant 

Het aandeel van de bedrijfstak sport en recreatie in deze toegevoegde waarde schommelt rond de 20 procent in de periode 2006-2015. 

* De bruto toegevoegde waarde is ruwweg het verschil tussen de waarde van de geproduceerde goederen en diensten en de daarvoor verbruikte goederen en diensten.

Besteding en consumptie sportgoederen en -diensten

Consumptie sportgoederen en -diensten door huishoudens

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Sport- en fitnessdiensten grootste uitgavenpost huishoudens

In 2015 bestond ruim een derde (37 procent) van alle uitgaven aan sportgoederen en -diensten door huishoudens uit uitgaven aan diensten met betrekking tot sport, fitness en recreatie. Daarna volgen de uitgaven aan horecadiensten, sportkleding en -textiel en sportartikelen.


 

Bestedingen aan sportgoederen en -diensten

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Toegenomen bestedingen aan sportgoederen en -diensten

In de periode 2006-2015 namen de totale bestedingen aan sportgoederen en -diensten toe van 12 miljard euro naar 15 miljard euro. Ongeveer 60 procent van de totale bestedingen betrof de consumptie van huishoudens. De overige bestedingen omvatten de consumptie door de overheid, de uitvoer en de investeringen (inclusief voorraadverandering).

 

A.D. Kuipers (CBSCentraal Bureau voor de Statistiek)